Concurrentievermogen en Open Strategische Autonomie: Een duiding van concurrentievermogen en OSA voor beleidsdomeinen van IenW
report
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) vroeg TNO te duiden wat veranderingen in het concurrentievermogen, een sterkere inzet op open strategische autonomie (OSA) en een verschuivende economische structuur betekenen voor de fysieke leefomgeving en dus voor de beleidsopgaven van IenW. De centrale vraag is: hoe beïnvloeden veranderingen in het concurrentievermogen en de inzet op OSA de beleidsopgaven van IenW, en welke keuzes zijn daarbij nodig? Om hier inzicht in te krijgen koppelen we economische verhaallijnen aan de fysieke ruimte met RuimteScanner 1.0 en rekenen een selectie aan effectindicatoren door: industrieel watergebruik en fijnstofuitstoot door industrie (PM). De implicaties zijn hiermee gebiedsgericht bespreekbaar gemaakt, en besproken in werksessies met beleidsmedewerkers om zo de onderzoeksvraag te beantwoorden.
Drie toekomstverhalen vormen de ruggengraat van de analyse. In Nederland Dienstenland (gebaseerd op WLO Hoog – Vertraagde Transitie (PBL, 2025)) blijft de economie open en zet globalisering en de specialisatie in kennisintensieve diensten door; de industrie groeit hooguit beperkt mee en krijgt een kleinere rol in de Nederlandse economie. Nederland Industrieland (gebaseerd op WLO Laag – Vertraagde Transitie (PBL, 2025)) ontstaat in een context van meer handelsbarrières: de interne EU‑markt blijft, maar mondiale waardeketens worden stroever, waardoor de verdere verschuiving naar diensten stokt en delen van de industrie stabiliseren of groeien. Europese OSA (toegepast op Industrieland, gebaseerd op deglobaliseringsverkenning WLO Regio (PBL, 2025)) bouwt op dit industriële pad voort en reduceert de afhankelijkheid van import van buiten de EU met circa 25 procent, waardoor met name elektronica‑ en machineketens in Nederland aan gewicht winnen en water‑ en emissie‑intensieve onderdelen juist afnemen. Het verschil zit niet alleen in hoeveel we produceren, maar vooral in wat, waar en hoe.
De ruimtelijke vertaling is duidelijk. Dienstenland leidt tot verdere concentratie van economische activiteit in de Randstad (vooral Noord‑ en Zuid‑Holland), terwijl de benodigde ruimte voor de economie in het intermediaire gebied licht krimpt en ook perifere regio’s duidelijk minder vraag kennen. Industrieland laat juist een breder verspreide toename van ruimtegebruik voor de economie zien rond bestaande industriële ecosystemen en knooppunten; nationaal bezien schuurt de totaalsom tegen de grenzen van beschikbare ruimte in Nederland (een licht ruimtetekort t.o.v. 2020). Europese OSA toont een selectieve herschikking: strategische maakactiviteiten groeien in o.a. Noord‑Holland, Overijssel en Gelderland, elders ontstaat ruimte; het nationale saldo is gunstiger dan in Industrieland (een bescheiden overschot).
De wateropgave volgt deze lijn. In Dienstenland neemt het totale industriële watergebruik af vergeleken met 2021. In Industrieland is een stijging in watergebruik te zien; in elke provincie. Dat vergroot de spanning op onttrekkingen en lozingen, zeker waar grondwaterbescherming, verzilting of waterberging gelijktijdig ruimte claimen. Door Europese OSA wijzigt de compositie van de industrie zodanig dat het totale watergebruik substantieel daalt; de grootste verlichting doet zich voor in Gelderland, Limburg, Zuid-Holland en Noord‑Brabant. Dit biedt kansen voor water‑efficiënte clusters en het ruimtelijk verankeren van hergebruik via circulaire waterhubs en een daarop ingerichte vergunningenstrategie (VTH). Voor fijnstof zien we eveneens een drieslag. Dienstenland resulteert in een daling van de totale emissies van de industrie met circa een kwart ten opzichte van 2021, omdat emissie‑intensieve sub-sectoren relatief krimpen. In Industrieland stijgen de emissies met ongeveer 38 procent; daarmee nemen ook de risico’s op lokale hotspots toe, vooral waar industrie en logistiek samenkomen. Europese OSA komt nationaal uit op een beperkte stijging (circa 12 procent), maar met een ander ruimtelijk patroon: krimp in enkele industriële provincies en groei in het economisch kerngebied. De kernboodschap is dat locatiekeuze en compositie zichtbaar verschil maken in regionale emissiedruk.
Daaruit volgen gerichte implicaties per IenW‑domein. Voor Mobiliteit & Transport vraagt Dienstenland om grootstedelijke optimalisatie: hoogwaardig OV en emissievrije stadslogistiek maken verdichting leefbaar en bereikbaar. Industrieland verlegt de focus naar regionale goederenstromen: koppel industriegroei aan multimodale corridors (spoor, water, weg) en borg de robuustheid van hoofdnetten om concurrentievermogen en betrouwbaarheid te verzekeren. Europese OSA vereist anticiperende netwerkontwikkeling rond strategische clusters, passend bij nieuwe goederenpatronen. Voor Waterbeheer & Waterveiligheid betekent Industrieland de zwaarste druk en vergunningenopgave; Europese OSA biedt juist ruimte om strategische ketens te plaatsen waar waterbeschikbaarheid beter is en circulariteit opschaalbaar. Voor Leefomgeving & Milieu verlaagt Dienstenland de industriële emissiedruk, maar verhoogt concentratie de blootstelling in stedelijke gebieden; Industrieland vergroot het risico op emissie‑hotspots. Doordat in Europese OSA de mix van industriële activiteiten verschuift en IenW gericht kan sturen op locatiekeuze, ontstaat ruimte om de water‑ en emissiedruk en externe veiligheidsrisico’s beter te beheersen. Voor Omgevingsveiligheid vergroten Industrieland en, selectiever, Europese OSA de noodzaak voor zonering, routering van gevaarlijke stoffen en versterking van VTH‑capaciteit.
Tegen deze achtergrond zien we drie beleidsdilemma’s, gekoppeld aan de drie scenario’s. In Dienstenland zien we verhoogde druk op bereikbaarheid en stedelijke logistiek, met consequenties voor openbaar vervoer, snelwegen, maar ook voor havens en luchthavens. Tegelijkertijd resulteert de focus op diensten in de economie ook in relatief minder industrieruimte in periferie en dus minder druk op de leefomgeving. In Industrieland ligt grotere druk op beleidsdomeinen zoals waterbeheer en waterveiligheid, vergunningen en externe veiligheid; maar door de spreiding heeft Nederland een mogelijk robuustere basis voor de maakindustrie en is daardoor minder kwetsbaar voor disrupties in één sector, grondstoffenschaarste en capaciteitsproblemen. In Europese OSA draait het om prioriteren: waar wil je strategische ketens laten landen en welke randvoorwaarden zijn nietonderhandelbaar?
De RuimteScanner analyse laat zien dat de scenario’s niet alleen macro‑economische verschillen opleveren, maar vooral leiden tot een ruimtelijke herschikking van werk- en industriefuncties met directe gevolgen voor de IenW‑domeinen als bereikbaarheid, water, emissies en externe veiligheid. Dit weegt extra zwaar bij economische en geopolitieke keuzes rond strategische ketens en producten, die zich vaak concentreren in enkele regio’s. De analyse biedt zo een concreet aangrijpingspunt om concurrentievermogen doelgericht te positioneren binnen grenzen voor leefomgeving en veiligheid, en om beleid te richten op ‘hotspots’ waar bereikbaarheid, water, emissies en externe veiligheid samenkomen.
Daarmee sluit zij aan bij het IenW‑narratief dat concurrentievermogen een middel is om maatschappelijke doelen te realiseren – mits randvoorwaarden als een gezonde en veilige leefomgeving, een gelijk speelveld en een robuust VTH‑stelsel zijn geborgd.
Drie toekomstverhalen vormen de ruggengraat van de analyse. In Nederland Dienstenland (gebaseerd op WLO Hoog – Vertraagde Transitie (PBL, 2025)) blijft de economie open en zet globalisering en de specialisatie in kennisintensieve diensten door; de industrie groeit hooguit beperkt mee en krijgt een kleinere rol in de Nederlandse economie. Nederland Industrieland (gebaseerd op WLO Laag – Vertraagde Transitie (PBL, 2025)) ontstaat in een context van meer handelsbarrières: de interne EU‑markt blijft, maar mondiale waardeketens worden stroever, waardoor de verdere verschuiving naar diensten stokt en delen van de industrie stabiliseren of groeien. Europese OSA (toegepast op Industrieland, gebaseerd op deglobaliseringsverkenning WLO Regio (PBL, 2025)) bouwt op dit industriële pad voort en reduceert de afhankelijkheid van import van buiten de EU met circa 25 procent, waardoor met name elektronica‑ en machineketens in Nederland aan gewicht winnen en water‑ en emissie‑intensieve onderdelen juist afnemen. Het verschil zit niet alleen in hoeveel we produceren, maar vooral in wat, waar en hoe.
De ruimtelijke vertaling is duidelijk. Dienstenland leidt tot verdere concentratie van economische activiteit in de Randstad (vooral Noord‑ en Zuid‑Holland), terwijl de benodigde ruimte voor de economie in het intermediaire gebied licht krimpt en ook perifere regio’s duidelijk minder vraag kennen. Industrieland laat juist een breder verspreide toename van ruimtegebruik voor de economie zien rond bestaande industriële ecosystemen en knooppunten; nationaal bezien schuurt de totaalsom tegen de grenzen van beschikbare ruimte in Nederland (een licht ruimtetekort t.o.v. 2020). Europese OSA toont een selectieve herschikking: strategische maakactiviteiten groeien in o.a. Noord‑Holland, Overijssel en Gelderland, elders ontstaat ruimte; het nationale saldo is gunstiger dan in Industrieland (een bescheiden overschot).
De wateropgave volgt deze lijn. In Dienstenland neemt het totale industriële watergebruik af vergeleken met 2021. In Industrieland is een stijging in watergebruik te zien; in elke provincie. Dat vergroot de spanning op onttrekkingen en lozingen, zeker waar grondwaterbescherming, verzilting of waterberging gelijktijdig ruimte claimen. Door Europese OSA wijzigt de compositie van de industrie zodanig dat het totale watergebruik substantieel daalt; de grootste verlichting doet zich voor in Gelderland, Limburg, Zuid-Holland en Noord‑Brabant. Dit biedt kansen voor water‑efficiënte clusters en het ruimtelijk verankeren van hergebruik via circulaire waterhubs en een daarop ingerichte vergunningenstrategie (VTH). Voor fijnstof zien we eveneens een drieslag. Dienstenland resulteert in een daling van de totale emissies van de industrie met circa een kwart ten opzichte van 2021, omdat emissie‑intensieve sub-sectoren relatief krimpen. In Industrieland stijgen de emissies met ongeveer 38 procent; daarmee nemen ook de risico’s op lokale hotspots toe, vooral waar industrie en logistiek samenkomen. Europese OSA komt nationaal uit op een beperkte stijging (circa 12 procent), maar met een ander ruimtelijk patroon: krimp in enkele industriële provincies en groei in het economisch kerngebied. De kernboodschap is dat locatiekeuze en compositie zichtbaar verschil maken in regionale emissiedruk.
Daaruit volgen gerichte implicaties per IenW‑domein. Voor Mobiliteit & Transport vraagt Dienstenland om grootstedelijke optimalisatie: hoogwaardig OV en emissievrije stadslogistiek maken verdichting leefbaar en bereikbaar. Industrieland verlegt de focus naar regionale goederenstromen: koppel industriegroei aan multimodale corridors (spoor, water, weg) en borg de robuustheid van hoofdnetten om concurrentievermogen en betrouwbaarheid te verzekeren. Europese OSA vereist anticiperende netwerkontwikkeling rond strategische clusters, passend bij nieuwe goederenpatronen. Voor Waterbeheer & Waterveiligheid betekent Industrieland de zwaarste druk en vergunningenopgave; Europese OSA biedt juist ruimte om strategische ketens te plaatsen waar waterbeschikbaarheid beter is en circulariteit opschaalbaar. Voor Leefomgeving & Milieu verlaagt Dienstenland de industriële emissiedruk, maar verhoogt concentratie de blootstelling in stedelijke gebieden; Industrieland vergroot het risico op emissie‑hotspots. Doordat in Europese OSA de mix van industriële activiteiten verschuift en IenW gericht kan sturen op locatiekeuze, ontstaat ruimte om de water‑ en emissiedruk en externe veiligheidsrisico’s beter te beheersen. Voor Omgevingsveiligheid vergroten Industrieland en, selectiever, Europese OSA de noodzaak voor zonering, routering van gevaarlijke stoffen en versterking van VTH‑capaciteit.
Tegen deze achtergrond zien we drie beleidsdilemma’s, gekoppeld aan de drie scenario’s. In Dienstenland zien we verhoogde druk op bereikbaarheid en stedelijke logistiek, met consequenties voor openbaar vervoer, snelwegen, maar ook voor havens en luchthavens. Tegelijkertijd resulteert de focus op diensten in de economie ook in relatief minder industrieruimte in periferie en dus minder druk op de leefomgeving. In Industrieland ligt grotere druk op beleidsdomeinen zoals waterbeheer en waterveiligheid, vergunningen en externe veiligheid; maar door de spreiding heeft Nederland een mogelijk robuustere basis voor de maakindustrie en is daardoor minder kwetsbaar voor disrupties in één sector, grondstoffenschaarste en capaciteitsproblemen. In Europese OSA draait het om prioriteren: waar wil je strategische ketens laten landen en welke randvoorwaarden zijn nietonderhandelbaar?
De RuimteScanner analyse laat zien dat de scenario’s niet alleen macro‑economische verschillen opleveren, maar vooral leiden tot een ruimtelijke herschikking van werk- en industriefuncties met directe gevolgen voor de IenW‑domeinen als bereikbaarheid, water, emissies en externe veiligheid. Dit weegt extra zwaar bij economische en geopolitieke keuzes rond strategische ketens en producten, die zich vaak concentreren in enkele regio’s. De analyse biedt zo een concreet aangrijpingspunt om concurrentievermogen doelgericht te positioneren binnen grenzen voor leefomgeving en veiligheid, en om beleid te richten op ‘hotspots’ waar bereikbaarheid, water, emissies en externe veiligheid samenkomen.
Daarmee sluit zij aan bij het IenW‑narratief dat concurrentievermogen een middel is om maatschappelijke doelen te realiseren – mits randvoorwaarden als een gezonde en veilige leefomgeving, een gelijk speelveld en een robuust VTH‑stelsel zijn geborgd.
TNO Identifier
1029392
Publisher
TNO Vector
Collation
62 p. incl. bijlagen