Overzicht onderzoek schade aan gebouwen door geinduceerde seismiciteit

report
Mijnbouwactiviteiten zoals gaswinning, gasopslag en geothermie leiden mogelijk tot ondiepe geïnduceerde aardbevingen die trillingen aan het aardoppervlak veroorzaken die worden doorgegeven aan gebouwen. Dit roept de vraag op of dit kan leiden tot schade aan gebouwen en of er sprake is van potentiële veiligheidsrisico’s. Veiligheidsrisico’s zijn aan de orde als sprake is van volledig of gedeeltelijk instorten van gebouwen, met een kans op overlijden van personen ten gevolge daarvan. Hierbij gaat het om zeer hoge trillingsniveaus met uiterst kleine kansen van optreden. Bij de vraag of er schade optreedt wordt gekeken naar het ontstaan of groeien van scheuren met name in metselwerk of stucwerk ten gevolge van geïnduceerde bevingen. De trillingsniveaus waarbij schade ontstaat zijn veel lager dan die van de bevingen waar veiligheidsrisico’s een rol spelen. In dit document
verwijzen "schade" en "schaderisico’s" specifiek naar dit type schade. Voor de beoordeling van schaderisico’s ten gevolge van geïnduceerde aardbevingen is er geen landelijk vastgestelde norm. Voor de beoordeling van de schaderisico’s voor trillingen veroorzaakt door bouwwerkzaamheden of verkeer wordt gebruik gemaakt van de SBR Richtlijn A (SBR-A, 2017). In de SBR Richtlijn A worden aardbevingen als trillingsbron niet expliciet behandeld, maar ook niet uitgesloten. Het gebruik van de SBR Richtlijn A voor inschatting van schaderisico’s bij geïnduceerde seismiciteit door geothermie is al besproken bij de totstandkoming van de richtlijn (SBR-A, 2017), is ook voorgesteld in SDRA voor geothermie (TNO/EBN, 2023) en suggesties voor een normstelling zijn beschreven in een advies over risicobeleid seismiciteit (Hooglerarenpanel, 2021a, 2021b).
TNO Identifier
1002539
Publisher
TNO
Collation
37 p.
Place of publication
Delft