Utiliteitsbouw in VvE-beheer. Gebouwtypen en eigendomsverhoudingen
report
In dit onderzoek in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
maken we inzichtelijk hoeveel utiliteitsgebouwen onderdeel zijn van een Vereniging van
Eigenaren (VvE). VvE’s bieden een aanvullende uitdaging bij verduurzaming van gebouwen,
omdat het per definitie een verzameling van verschillende eigenaren betreft die gezamenlijk
tot een aanpak moeten komen voor bijvoorbeeld de isolatie van de gebouwschil. Het gaat
hierbij over o.a. woningen met een winkel, appartementencomplexen, zorgcentra, maar ook
kleine bedrijfsunits op bedrijventerreinen, zorgcentra en vakantieparken.
De Europese richtlijn EPBD IV (Energy Performance of Buildings Directive) verplicht lidstaten
de energieprestatie van gebouwen binnen de utiliteitsbouw te verbeteren. Doel van de EPBD
is het realiseren van een zeer energiezuinige en fossielvrije gebouwde omgeving tegen 2050.
Een van de onderdelen van de EPBD is de Minimum Energy Performance Standards (MEPS)
voor bestaande gebouwen binnen de utiliteitsbouw (art. 9 EPBD). Hierbij moeten de 16%
slechts presenterende gebouwen in 2030 en de 26% slechtst presterende gebouwen in 2033
verbeterd zijn. De invulling van de MEPS vraagt meer inzicht in de gebouwenvoorraad en de
energetische kwaliteit daarvan.
Van de 1 miljoen utiliteitsgebouwen met een of meerdere verblijfsobjecten zijn 110 duizend
gebouwen onderdeel van een VvE. Wanneer we de schuurtjes, kleine industriële locaties en
vakantiewoningen eraf halen, blijven er 67 duizend gebouwen over, of 12,7% van het totaal.
Wat er overblijft zijn gebouwen die (ook) gebruikt worden voor functies anders dan wonen of
‘overig’1. De grootste groep utiliteitsbouw in VvE’s zijn gebouwen in combinatie met woningen.
Het gaat hierbij over 49 duizend gebouwen. Ongeveer de helft van de gebouwen heeft
minstens een (indicatief) label C
maken we inzichtelijk hoeveel utiliteitsgebouwen onderdeel zijn van een Vereniging van
Eigenaren (VvE). VvE’s bieden een aanvullende uitdaging bij verduurzaming van gebouwen,
omdat het per definitie een verzameling van verschillende eigenaren betreft die gezamenlijk
tot een aanpak moeten komen voor bijvoorbeeld de isolatie van de gebouwschil. Het gaat
hierbij over o.a. woningen met een winkel, appartementencomplexen, zorgcentra, maar ook
kleine bedrijfsunits op bedrijventerreinen, zorgcentra en vakantieparken.
De Europese richtlijn EPBD IV (Energy Performance of Buildings Directive) verplicht lidstaten
de energieprestatie van gebouwen binnen de utiliteitsbouw te verbeteren. Doel van de EPBD
is het realiseren van een zeer energiezuinige en fossielvrije gebouwde omgeving tegen 2050.
Een van de onderdelen van de EPBD is de Minimum Energy Performance Standards (MEPS)
voor bestaande gebouwen binnen de utiliteitsbouw (art. 9 EPBD). Hierbij moeten de 16%
slechts presenterende gebouwen in 2030 en de 26% slechtst presterende gebouwen in 2033
verbeterd zijn. De invulling van de MEPS vraagt meer inzicht in de gebouwenvoorraad en de
energetische kwaliteit daarvan.
Van de 1 miljoen utiliteitsgebouwen met een of meerdere verblijfsobjecten zijn 110 duizend
gebouwen onderdeel van een VvE. Wanneer we de schuurtjes, kleine industriële locaties en
vakantiewoningen eraf halen, blijven er 67 duizend gebouwen over, of 12,7% van het totaal.
Wat er overblijft zijn gebouwen die (ook) gebruikt worden voor functies anders dan wonen of
‘overig’1. De grootste groep utiliteitsbouw in VvE’s zijn gebouwen in combinatie met woningen.
Het gaat hierbij over 49 duizend gebouwen. Ongeveer de helft van de gebouwen heeft
minstens een (indicatief) label C
Topics
TNO Identifier
1021038
Publisher
TNO
Collation
38 p.
Place of publication
Petten