Kansen en aandachtspunten bij het synthese-gebaseerd ontwikkelen van besturingssoftware voor infrastructurele objecten

report
Rijkswaterstaat staat voor een enorme uitdaging wat betreft vervangen en renovatie (VenR) van objecten. Momenteel behelst dit voor elk object maatwerk, wat flexibiliteit biedt, maar ook bijzonder inefficiënt is. Voor het specificeren, ontwerpen, realiseren en testen van veilige besturingssoftware voor het object werkt het programma Industriële Automatisering Sourcing (IAS) daarom aan standaardisatie. Voor beweegbare bruggen en tunnels worden bouwblokken ontwikkeld, terwijl voor sluizen een lichtere vorm van standaardisatie wordt onderzocht: synthese-gebaseerd ontwikkelen (Synthesis-Based Engineering, SBE). Binnen het MultiWaterWerk (MWW) project is samen met de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) de afgelopen jaren onderzocht in hoeverre deze werkwijze voor het ontwikkelen van besturingssoftware invulling kan geven aan de doelstellingen van Rijkswaterstaat, waaronder standaardisatie, uniformiteit, en een efficiëntere werkwijze, zonder in te boeten op betrouwbaarheid. Uit die academische samenwerking is gebleken dat SBE voor Rijkswaterstaat vele potentiële kansen biedt. Echter, het toepassen van deze nieuwe werkwijze levert ook vragen op. Rijkswaterstaat heeft tien vragen aan TNO en CGI voorgelegd. Dit TNO rapport geeft samen met het CGI rapport antwoord op die vragen. Gesteld kan worden dat SBE in het gehele ontwikkelproces van besturingssoftware tal van garanties en andere (potentiële) voordelen biedt, zoals het vervaardigen van eenduidige, complete, consistente en up-to-date specificaties, en het sneller en goedkoper realiseren van besturingssoftware, die correct-door-constructie is, met een betere kwaliteit en veiligheid. De potentie hiervan is in de samenwerking van Rijkswaterstaat met de TU/e aangetoond, en SBE is toepasbaar op infrastructurele systemen. SBE heeft ook potentiële voordelen bij onderhoud en evolutie, en bij de gewenste introductie van productfamilies. Na het aantonen dat SBE waarde heeft en bijdraagt aan de gestelde visie, overweegt Rijkswaterstaat nu óf en waar het wel of niet SBE wil gaan inzetten, om de geformuleerde visie te realiseren. Hiermee wordt een volgende fase ingegaan, waarbij ook andere aspecten een rol gaan spelen. Meer praktische aspecten, rondom de samenwerking met marktpartijen en de volwassenheid van SBE zijn minder aan bod gekomen in de academische samenwerking met de TU/e. Het ontbreken van commerciële ondersteuning, het beperkte ecosysteem, de beperkt aanwezige kennis en kunde bij zowel Rijkswaterstaat als marktpartijen voor het toepassen van SBE, evenals het verandermanagement en het eigenaarschap dat Rijkswaterstaat dient te pakken, zijn hierbij belangrijke aandachtspunten. Hiertoe heeft Rijkswaterstaat een pad naar de toekomst geschetst, waarbij de aandachtspunten uit dit rapport en het rapport van CGI verder kunnen worden bekeken. TNO beschrijft in dit rapport hoe SBE verschilt van een traditionele manier van ontwikkelen, de diverse aspecten die daarbij komen kijken, en wat de meerwaarde en risico’s zijn. Hiermee kan Rijkswaterstaat beter bepalen in hoeverre het SBE geschikt acht voor de gestelde doelen. Rijkswaterstaat zal uiteindelijk zelf moeten besluiten hoe zwaar het bepaalde aspecten, voordelen en risico’s weegt, tot welke conclusies het daarmee komt, en dus of het SBE al dan niet breder in wil zetten. Idealiter komt Rijkswaterstaat daarbij tot een breed draakvlak voor deze conclusies en maakt het daarmee een duidelijke en weloverwogen keuze omtrent de verdere inzet van SBE. In conclusie kan gesteld worden dat SBE met de Eclipse ESCET toolkit momenteel nog niet voldoende inzetbaar is om door Rijkswaterstaat en marktpartijen ingezet te worden voor het hele proces van het vervaardigen van de besturingssoftware. Diverse zaken moeten nog verder worden uitgezocht, moeten worden uitgewerkt, en moeten worden geregeld. Dit is echter logisch gezien de huidige fase waarin Rijkswaterstaat zich bevindt, waarbij nog niet definitief en volledig voor SBE is gekozen. Met inachtneming van de aanbevelingen uit dit TNO rapport en uit het CGI rapport, zien TNO en CGI geen fundamentele beperkingen wat betreft het toepassing van SBE met de Eclipse ESCET toolkit. Wel dienen de aanbevelingen dan gedegen geadresseerd te worden, zodat aan alle regels en richtlijnen wordt voldaan, en de vele potentiële voordelen van SBE daadwerkelijk tot hun recht kunnen komen.
TNO Identifier
980234
Publisher
TNO
Collation
87 p.
Place of publication
Den Haag